Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pen, totdat het theeuur hen allen te zamen bracht in de tuinkamer, die op een groote breede zij-veranda uitkwam.

Het vrij levendige discours, dat voornamelijk liep over eenige Amsterdamsche nieuwtjes door Meryan meegebracht, belette de andere huisgenooten zijn vreemde houding tegenover Barthold op te merken. Hij bleef echter niet lang binnen. Tegen negen uur stond hij op, om nog te werken, naar hij zeide, ging naar zijn kamer, en geen tien minuten later trad zijn zoon bij hem binnen.

„Vader er is iets tusschen ons!" zeide hij dadelijk. „Waarom

is u zoo vreemd tegen mij?"

En terwijl hij die laatste vraag deed, had hij de stellige overtuiging dat zijn vader, al begreep hij niet hoe, geheel op de hoogte was.

Meryan werd bij zijn binnenkomen bleek. Een nerveuse trilling om den mond verried zijn nauw bedwongen drift. Hij sprak niet dadelijk, maar zijn linkerhand klemde zich vast om den arm van zijn leuningstoel.

„Wat er tusschen ons is, zal jij zelf het best weten " sprak

hij na eenige oogenblikken met zichtbare moeite. Er lag een dichtgevouwen courantje voor hem, en dit voorzichtig met duim en voorsten vinger aanvattend, als iets walgelijks, slingerde hij het hem voor de voeten.

Barthold raapte het niet op. Hij herkende het dadelijk als het partij-orgaan van de fractie Rustin. Zijn hoofd begon warm te worden. Al zijn trots kwam in opstand.

„ Ik begrijp het nu " zeide hij, zijn best doende kalm te

blijven, „en ik had dit vóór willen zijn. Maar hoe kon ik vermoeden dat u "

„ In zoo'n vuil ding de oogen zoudt slaan wil je zeker

zeggen? Ik had het ook niet moeten doen, te meer daar het mij werd toegezonden als wraakneming. Ik heb verleden week mijn eersten boekhouder Menners zijn ontslag gegeven, omdat hij, ondanks mijn streng verbod, lid was van een vereeniging die

enfin, waarvan ik niet duld, dat een mijner onderhoorigen deel uitmaakt. Ziedaar zijn revanche!"

„Heeft u den ouden trouwen Menners ontslagen?" vroeg Barthold, hem met stupefactie aanziende. Want van kind af herinnerde hij zich dien man op het kantoor te hebben zien werken.

„Ik heb die vrijheid genomen!" klonk het scherp. „Ik houd geen individuen in mijn dienst, die ronduit verklaren een vijand te zijn van het particulier eigendom, en dus zeker niet mijn

Sluiten