Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Meryan bracht dien dag met zijn gasten door, met zijn gewone zelfbeheersching terugdringend elke pijnlijke gedachte, altijd gereed te vervullen den plicht van het oogenblik, een plicht die thans bestond in de noodzakelijkheid een onberispelijk gastheer te zijn, en noch zijn genoodigden noch de huisgenooten iets van zijn ontstemming te laten bemerken. Wellicht waren de dunne lippen nog een weinig strakker gesloten dan gewoonlijk, wellicht klonk de stem nog iets korter en beslister, maar uitgezonderd Barthold, die zelf in een ondragelijke spanning verkeerde, kon niemand iets ongewoons in hem vermoeden.

Aan Barthold stelden zij, die hem als kind hadden gekend, nimmer hooge eischen van opgewektheid of gezelligheid. Derhalve viel zijn afgetrokkenheid niet in 't oog, ging ook voor Carla verloren, daar deze zich heden bijzonder goed amuseerde met een der heeren van het gezelschap, die, zooals Johanna bij zichzelve opmerkte: „wel wat al te veel werk van haar maakte." Vooral de omstandigheid, dat zijn jong vrouwtje, gedurende een wandeling, met oogen van geheime jaloezie telkens naar hen omzag, gaf Carla weder dat geheime gevoel van zelfvoldoening en triomf, verzachtend voor korte oogenblikken het altijd hatelijke besef harer vernederende positie, en vormend die weinige lichtpunten in haar bestaan, zonder welke haar verblijf bij de Meryans haar ondragelijk zou hebben toegeschenen.

Toen evenwel tegen acht uur de genoodigden waren vertrokken, door den gastheer en de gastvrouw zeiven uitgeleid, achtte zij het oogenblik gekomen haar „ croque-mitaine", zooals zij hem wel eens bij zichzelve betitelde, weer wat aandacht te schenken, daar zij zich bewust was hem den geheelen dag tamelijk te hebben verwaarloosd. Zij stelde hem dus voor, daar het nog helder dag was, een wandeling naar den koepel; en om bij Baby, die voor het huis een roman zat te lezen, geen achterdocht te wekken, gingen zij ieder langs een verschillenden weg naar het bedoelde punt, waar juist een jaar te voren het eerste beslissende woord tusschen hen was gesproken geworden. Hij hield er van op dit eenigszins hooger gelegen plekje, waar men. dank zij een éclaircie in het bosch, den geheelen westelijken gezichtseinder voor zich had, de zon te zien ondergaan. En toen zij er bijna tegelijk aankwamen, was reeds de gansche hemel met zijn lange violette wolkenstrepen als in vloeibaar

purper gedompeld.

Hij ging zitten, den gloed van het avondlicht in zijn oogen, en trok haar dicht naast zich op de rustieke bank, zoodat

Sluiten