Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleden nog, bijna geschrikt van een zoo onafhankelijk optieden? — Geen wonder dus dat Carla nog op die wijze dacht. Het was niet alleen verklaarbaar, maar zelfs volkomen natuurlijk.

„Jij gaat, in plaats van alleen, liever met je eigen man op reis, is 't niet, liefste?" vroeg hij haar teeder tot zich trekkend, en ondanks zichzelven weer genotvol vindend dat zich echt vrouwelijk en afhankelijk willen overgeven aan zijn mannelijke bescheiming. „Je bent mijn kind-vrouwtje dat leiding en steun zoekt, en zelfs geen vrijheid zou willen!...." En met oogen van adoiatie keek hij naar het mooie kopje, met de gouden torsade laag in den nek, een kapsel dat haar soms zoo jong en eenvoudig deed schijnen. „Is het mogelijk, dat je, over enkele dagen al, geheel van mij zult zijn, dat wij voor ons geheel verder leven bij elkander zullen blijven en niets ons meer zal scheiden dan de dood."

Zij liep naast hem voort, plotseling overmeesterd door een benauwde sensatie. Het perspectief van een vreeselijke toekomst deden zijn woorden voor haar oprijzen. En tegelijkertijd dacht zjj aan Johan.... en was het alsof haar keel weid dichtgedrukt. Zij had overluid kunnen schreeuwen van wanhoop, maar altijd gewoon zich te beheerschen, bleef zij dulden den druk van zijn arm, die op dit oogenblik haar bijna deed knarsetanden.

„Je kunt toch, dunkt me, onmogelijk zóóveel van mij houden als ik van jou.... Eigenlijk is je liefde voor mij me altijd onverklaarbaar geweest. Weet je het wel zeker, lieveling, dat je \an mij houdt? Ik heb altijd het gevoel gehad dat elke vrouw me

leelijk en naar moest vinden."

Xog altijd dat stikkende gevoel. Toch besefte zij iets te moeten

zeggen. .

Wil je nu wel eens met zulke dwaasheden uitscheiden

kom, het wordt koel, laten we naar binnen gaan."

„Koel? En daareven zeide je nog dat het zoo'n warme avond was. Laten wij nog even buiten blijven, nog eens samen oveidenken wat het wezen zal één te worden, één in lief en leed, in denken en handelen. Hoe overgelukkig ik ook ben je te hebben, bekruipt me soms wel eens de vrees, dat onze zielen in den beginne .... moeite zullen hebben elkaar te verstaan! Ben jij daar

nooit bang voor?"

Zij zweeg. Zij had kunnen schateren en tegelijk uitbarsten in razernij. „Die idioot!" dacht zij, in het donker haar kleine handjes ineenklemmend. Haar nu nog te komen martelen met een

Sluiten