Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenmaal geheel naar haar hand kon zetten.... Thans ging dit nog niet altijd. Zij zou nooit gedacht hebben dat hij zoo koppig kon wezen!

Ook Barthold leunde zwijgend in zijn hoekje. Hij had de oogen eesloten en hield zich alsof hij sliep. Doordenken, ontleden zijn gevoelens en sensaties op het oogenblik dat hij den drempel van zijn nieuw tehuis ging overschrijden, samenvatten de indrukken die zijn huwelijksreis bij hem had achtergelaten, hij wilde het niet. Waartoe zou het dienen? Wat hij tot dusverre ervaren had, kon of mocht hem eigenlijk niet teleurstellen, peinsde hij. Wel had hem pijnlijk verrast de plotselinge vreemde koelheid, waarvan zij dadelijk blijk had gegeven — een koelheid, haar van den eersten dag af stempelend tot een geheel andere dan zij tot dusverre voor hem geweest was. Maar ook te dien opzichte was hij geneigd zichzelf te beschuldigen, en voor hare houding zielkundige motieven te zoeken die haar slechts in zijn schatting konden doen rijzen. Zich derhalve, ondanks een niet te overwinnen neerslachtigheid, dwingend tot de opgewektheid, welke een jong echtgenoot, die zijn vrouw de echtelijke woning binnenleidt , behoort te bezielen, deed hij zich bij het uitstappen van het rijtuig vroolijk en spraakzaam voor. En wellicht ware hij er in geslaagd zich aan die gewilde stemming vast te klampen, hadde hem niet reeds in de allereerste oogenblikken een alleronaangenaamste surprise gewacht.

Was dat zijn woning, was dat zijn tehuis, waar overal een opzichtige weelde hem tegenschitterde — een weelde die hatelijk was in zijne oogen, hem een bespotting toescheen van zijn heiligste gevoelens ?

Terwijl Carla onder allerlei verheugde uitroepen de vertrekken doorliep, zich extasieerend over het „mooie" van alles, over de keurige schikking, over de diepe rijke glanzen van het gedoft en gebloemd satijn der pouffs en causeuses, zoo heerlijk samensmeltend met den toon der smyrnasche tapijten en het brocaat der gordijnen en draperieën, liep Barthold zwijgend mede, zoo hevig ontstemd, dat hij vreesde één woord te uiten.

Was dat de strikte eenvoud, dien hij zijn ouders en Carla zoo dringend verzocht had? Werd hij daarom, zooals hem thans plotseling te binnen schoot, altijd weggezonden, wanneei zijn moeder en Carla, met stalenboeken voor zich, aan het overleggen waren — weggezonden met de schertsende bewering, dat hij veel te onhandig en te onpractisch was om zich met iets.

24

Sluiten