Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoe hij zoo gelukkig kön zijn, hij, een paria volgens de wereld, hij die, als met een stigmaat van eerloosheid gebrandmerkt, uit het ouderlijk huis gebannen en gehuwd was met een vrouw, die hem nog slechts één wensch kon inboezemen: haar nimmer weer te zien!

En toch was hij gelukkig — gelukkiger dan hij ooit geweest was, nu er eindelijk harmonie was gekomen tusschen zijn in- en uitwendig bestaan. Het was alsof van uur tot uur het Leven in zijn grootsche openbaringen zich voor hem ontsluierde, naarmate hij, door zich te geven aan dat Leven, opbouwde den tempel van zijn hoogste zelf. Hij dacht soms aan den arbeid der heiligen in hun kloostercellen, aan die groote contemplatieve geesten in de middeneeuwen, die der wereld hunne ziele-schatten hadden nagelaten, destijds reeds de menschheid voorbereidend tot den actieven levens-impuls van de negentiende en twintigste eeuwen, welke op den gerevolutionneerden economischen bodem in krachtige heroïsche daden en handelingen zouden omzetten al dat heilig liefdevuur in oude perkamenten opgeborgen.

En zien, als die contemplatieven, in groote breede éénheid dat Leven en zich daaraan geven met volle overtuiging: zich bewust zijn, dat ook de nietigste individu — atoom in het Heelal — een schakel vormde in den eeuwigen keten van oorzaak en gevolg, die opvoerde van trap tot trap de menschheid tot steeds hooger organisatie dat alleen reeds deed hem zijn levenstaak in vroomheid

liefhebben.

Maar soms ook dacht hij vol deernis aan allen, die in volslagen geestesduisterheid opworstelden den steilen berg des levens, zonder eenig begrip van het hoe of icaarom, zonder religieuse behoeften, zich slechts bewust hun eigen klein leeg dieren-bestaan, hun klein levenskringetje met de eigen egoïstische verlangentjes, soms vragend en roepend om licht, maar alleen dan, wanneer een of ander persoonlijk leed hen trof, geestelijk en moreel te bijziende om buiten hun engen bestaanscirkel iets te onderscheiden.

En al was niemand meer overtuigd dan hij, dat noch de zwakken en blinden, noch de zienden en zoekenden de lichtende bergtoppen zouden naderkomen, wijl het wezen zelf van het ideaal het onbereikbare is.... de inspanning bij het stijgen en het steunen en helpen der zwakkeren was op zichzelf schoonheid. Zijn Aldeernis , zijn liefde voor alles wat leefde en ademde en streed en worstelde, juichte soms in hem op, als een hymne opstijgend naar het hooggewelf van een kathedraal. Zijn Zien en Begrijpen van

Sluiten