Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Carla sprak die woorden met strengheid uit, en Anna, hoewel ten volle overtuigd, dat de levenswandel van de vrouw tegenover haar na haar huwelijk onberispelijk was geweest, zag haar strak en met opgerichten hoofde aan.

„Van het oogenblik dat u Meryan niet liefheeft, beschouw ik u niet meer als zijn vrouw."

Carla's oogen vlamden.

„Juffrouw Denners, ik geloof dat u vergeet tegen wie u spreekt. Ik ben en blijf zijn wettige echtgenoote voor God en voor de menschen; en een jong meisje, dat zich niet schaamt haar liefde te bekennen voor een man, die aan een andere vrouw verbonden is, kan ik — het spijt mij u dit te moeten zeggen — niet langer in mijn tegenwoordigheid dulden. U schijnt de immoraliteit van wat u doet en zegt niet eens te beseffen!"

Carla was werkelijk verontwaardigd. Zij, de wettige vrouw, voelde zich zoo trotsch en zoo fatsoenlijk tegenover dat schaamtelooze schepseltje.

„ Mijn immoraliteit ben ik mij zeker niet bewust " zeide

Anna treurig. Zich beleedigd voelen, was onmogelijk! Die vrouw die zonder liefde voor geld zich had verkocht — en dit doorzag zij thans geheel — was zoo klein en arm en deerniswaardig in haar oogen.

Carla rees met waardigheid overeind, aldus te kennen gevend dat zij het onderhoud als geeindigd beschouwde.

„Als zij mij ten minste bad en smeekte in een scheiding te willen toestemmen, zich desnoods op haar knieën voor mij wierp...." dacht zij, „ dat zou ik ten minste begrijpen. Want waarvoor is zij nu eigenlijk hier gekomen.... ? Als ik dat nu maar wist!"

En toen Anna ook oprees, en daar stond in sl „haar insolente koppigheid" zooals Carla het bij zichzelve noemde, kreeg zij op eens een aanvechting om haar te pijnigen.

„Vlei u niet met de illusie, dat ik ooit in een scheiding zal toestemmen," zeide zij met een sarcastisch lachje.

„ Neen, daaromtrent hoop en verwacht ik niets meer; dat wist ik reeds...." zeide Anna bedaard.

„ Zoo .... wist u dat reeds ? "

„Ja, Meryan heeft daarover onlangs aan zijn vader geschreven; en deze heeft geantwoord, dat gij besloten waart hem nimmer zijn vrijheid terug te geven. Juist die pertinente weigering heeft mij doen vermoeden, dat u wellicht nog op een verzoening wachtte,

Sluiten