Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En 't glimm'ren van den zilv'ren dageraad. Of waar 't vlietwater met een zachten val Geruisch maakte in de schemering van t woud, Daar zat zij soms, nog vóór de voog lenkoren, Op eenen weekbemosten boomstronk neer. Dan hoorde ze onder 't loover wiekjes fladd ren, En om de stammen gonsde 't als 't gegons Van bijën, zwermende op een zomernoen;

Tot al de ontwaakte zangers uit hun nestjes, De veertjes schuddend ritselden in t loof, Onzichtbaar fladd'rende van takje op takje, En van het hoogste, wiegende in de lucht, Opstijgende, immer zingend, hooger, hooger, Met blij geluid uit klare, kalme keel.

En Kora keek die schelle fluiters na,

En zat een pooze in willend mijm'ren neer, Doch dan, de lichte lokken schuddend, sprong Zij op en vlood met luiden, langen lach, De kleine handjes klappend boven 't hoofd; En, met de voetjes plassend door de beek, Verdween zij hupp'Iende in het donk rer woud, Van ver nog roepende als de voog'lenkoren.

Sluiten