Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT EEN VORIGEN BUNDEL

En somtijds speelde ze op de bonte weide,

In schaduw van een breedgetakten eik,

En riep de nimfen naar dat lieflijk oord,

Ten spel of vluggen dans bij heldre maan;

En riep ze, schalk verscholen in een boschje,

Of zwemmende op een vliet en waterval,

Waar 't zingen klonk door 't schallen van den stroom.

Dan was zij enkel kind, Kora haar naam;

Dan glansde 't zonnig, blinkend in haar oog;

Dan gloeide 't blijde bloed door 't waas der wang,

Gelijk de blos op zomervruchten gloeit

In eenen ooftgaard, die op 't Zuiden ligt.

Doch soms ook zag zij allerlei geheim:

Vreemde mysteriën van kruid en ster,

En bloemen, naar den stillen nacht genoemd.

Op een verloren plekjen in 't gebergt', Met vreemdverlichte grotten, zaten zij Des nachts bij stille lucht en sponnen zich Met snelle hand hun wondere gewaden;

Waarbij zij lied'ren zongen, die, misschien, Den wand'laar deden luist'ren in de vert',

Sluiten