Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En stilstaan aan den oever van een stroom, Het hoofd gewend en droomend, wijl de maan Zijne en der boomen schaüw op 't water wierp. En Kora zat dan bij hen, stil gelijk Een kind, dat half in sluimer alles hoort,

Doch sluim'rend meent, dat het van verre komt, Door 't open venster.

Zóó was 't jaar aan jaar: En menigmaal zag ze aan den appelboom De roode en witte bloesems in de zon,

Zwellen wijl ze opwies, immer lieflijker.

II

In effen welving daalde 't zonnedak Op Enna's dal en van de bergen daalde De stille scheem'ring neer uit donk'ren beuk En palmenloof; reeds nijgde zich op 't veld Een bloem na de and're zacht ten zoeten slaap, En voog'len tjilpten laat hun laatste lied, In 't myrtenloof, met rits'lend wiekgeruisch.

Doch aan het meir van Pergus, waar de bloemen

Sluiten