Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En met den wagen gleden zij daarheen, Uiteengedreven en weer saamgezweefd.

Doch waar t paleis rijst, met kristallen zuilen Van vallend water, kronklende om de rots, Die wijkt en welft om huiv'rig-duistre krochten, Wier nare nacht op grauwe waat'ren gruwt,

Daar stond de don'kre, dreigende Godin,

De Styx — en leunde haar geweld'ge leden In schaduw harer hallen aan 't gewelf.

Doch breed stond haar gestalte tegen 't duister, En haar gelaat was merkbaar in den mist:

t Was als t gelaat van een ontzachbre Sfinx, Uit grauwen steen gebeeld bij d'ouden Nilus,

En die, verweerd door warmte en vochten wind, Staat in een donk'ren nacht en mistig weêr.

Zij was de moeder van het zevental,

Dat met zijn reuzenarmen streed voor Zeus,

En Kronos drong van d'allerhoogsten troon:

Zij had hen allen zonder pijn gebaard.

Nu stond ze en t oog, in schaüw der breede wimbrauw,

Staarde beweeg'loos ver in valen nacht,

Sluiten