Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En uit de menigten der schimmen zwierde Een vlaag van schrille tonen, fijn en hel,

Getjilp en schel gepiep en teer gegil, Of 't krassende geluid als wen de voet Op scherpe keizeis tript en verder treedt. Zoo trilden al der schimmen stemmen luid In angst, verbazing, schrik of schuwe vreugd,

Want allen spraken, schoon hun stem reeds lang Verroest was in hun sidderende keel.

En duiz'lend wankelde de Styx terug,

En met de handen greep zij achter zich Den wand en fluisterde met grauwe lippen

De klanken : Persefasse Persefasse ....

Doch in zijn volle lengte hief zich Hades —

Zwaar op den mantel-omfladderden schouder Vielen als manen breed de zwarte lokken, En, achterwaarts gewend, weerklonk zijn stem, Breedschallend, schoon in drukkend sombren val, Als slingerde ieder woord een rotsblok voort: — „Wees niet te groot, o Styx! omdat gij groot zijt, »En meen niet dat met mij ge u meten kunt,

'Wijl ge in uw hand den eed der Goden weegt!

Sluiten