Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot haar, schoon ik gedenk aan vroeg're vreugd.

En als gevoelloos, werk ik al den dag

En zie niet op noch om, omdat ik vrees

De groote smart, die 'k zien zal in dat oog.

Want zij was ééns zoo schoon, mijn jonge weemoed,

Toen alle bloemen blij ons tegenbloeiden

En vogels spotten met ons jeugdig leed.

Maar weggedoken zit de laatste vogel

Thans in de takken en door de enge spleet

Der half gesloten blinden valt het licht

Op ons, die treuren in 't verlaten huis. —

Sluiten