Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX

Men kkn geen vlammen als een gouden vloed Uit éen vaas gieten in een and're vaas;

Daarbinnen branden ze en een bevend waas Gloeit door het hulsel heen met halven gloed.

Open het nooit; — het is zoo schoon, en 't moet Zóo schoon zijn, blijvende in die zelfde plaats; Die vlam zal niemand zien; zij zal, helaas!

Zichzelf verteren, daar haar niemand voedt.

Brand niet zoo luid, mijn ziel! waaróm zoo luid? Gij weet toch dat ge alleen en stil moet zijn,

En veel begrijpen daar me' ü niét verstaat;

Gloed bréngt geen gloed voort, ziel! üw gloed vergaat Weldra, die groote, en zie, een schoone schijn Is om u, maar die ook dooft aanstonds uit.

6

Sluiten