Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII

Ik walg nu van die dagen vol van zon,

Van die zon zelf, die niet wil ondergaan; Wanneer het nacht was zou ik naast hem staan En zeggen : Vriend, 't was waar, eerst nu begon

Mij 't leven, él wat ik eertijds verzon

Was logen, wat ik zei van zon was waan, En van genot en liefde, — maar, welaan, Vergeef mij dat ik zoo dwaas dwalen kon.

Dan zou ons zijn een zoet verkeer van leed,

Zeer innig, als van zielen, nu ontdaan

Van trots en ijdelheid en klein belang ; —

En elk van ons zou 't zijn of naast hem schreed Zijn eigen ziel, op 't eind geheel verstaan, Naakt en een glorie, van éenzelfden rang.

Sluiten