Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII

Een koud vermoeden rilt mij door het brein:

Ik zie mijzelf en weet thans wie ik ben.

Ik ben Erinnring van veel boeken en Een Macht, waarmee 'k mijzelf en al mijn zijn,

Gedachte en daad, gelijk maak aan den schijn,

Dien 'k daarin schoonst vond: — onbewust gewen Ik me aan dat al-artiest zijn; — soms zelfs ken 'k Mijn schijn, die groot is, niet van eigen klein.

'k Ben als een speler, maar die zoo goed speelt, Dat hij zichzelven niet-te-spelen schijnt,

En zich eerst schoon vindt in zijn eigen spel;

En zich in 't leven met zichzelf verveelt,

En zich op straat met de gedachte pijnt:

Hier ben 'k mijzelf niet, — op de planken wèl.

Sluiten