Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIX

Wanneer ik tot u kom, dan lacht gij zacht,

En somtijds klaagt gij, maar als zij, die spreken Van vroeg're smarten, die als droomen weken En waar men in den droom om weent en lacht.

Maar als 'k alleen ben hoor ik dag en nacht Uw snikken en ik zie uw tranen leken,

En voel uw hart wild slaan, alsof 't wil breken, Maar kan niet, dan verneem 'k uw luide klacht.

En dat zijt gij, dat weet ik, en ik wil

Niet leven voor uw schijnbaar zelf, dat lacht, Maar voor de ziel der ziel, die in u lijdt, —

En als gij schijnbaar kalm en blijde zijt, Zal 'k uw gedachten hooren schreien zacht, Of gij van verre staat en schreit — heel stil.

Sluiten