Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXII

Mij dunkt, wanneer de menschen dit boek zien, Waarin gij van nu aan onsterflijk leeft,

En zien wat geest mijn vers dat leven geeft En welk een deugd, dan zullen veel misschien

Oude kronieken naslaan en indien

Daar geen genoemd wordt, die van u iets heeft, Dan zullen velen zeggen : ge overdreeft; Wij hebben nooit nog zulk een mensch gezien.

En dan zal 'k zeggen : menschen, 't doet mij leed, Dat gij niet zaagt wat velen konden zien :

Maar weet, ik ben gezegend, daar ik zag.

Wees gij nu blijde, dat 'k u schouwen deed

Dien ge uit uzelf niet zien kondt, hem door wien Elkeen verheugd wordt die hem schouwen mag.

Sluiten