Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIV

Toen ik de dingen zong, die 'k had aanschouwd, Van aarde en lucht en die ik vond in 't stof Van oude mythen en legenden, of In eigen ziel, waar 'k zeer meê was vertrouwd; —

Toen waren al mijn zangen leeg en koud,

Mijn verzen slap, mijn beelden dood en dof,

Maar u aanschouwend heb ik te uwen lof Dit werk ten onverganklijk huis gebouwd.

Hoe kunt gij dan nog zeggen dat mijn hart Mijn oog beliegt en 't zien doet wat niet is,

't Een droombeeld toonend waar het gaarn op staart

Daar ik toch veel gevonden heb op aard,

En ook iets in mijzelven, naar ik gis,

En toch door niets zóo begenadigd werd.

Sluiten