Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVI

Ik weet, dat geen die later dit boek leest, 't Begrijpt, — en wie de wereld gadeslaat,

Weet dat zij slecht noemt wat zij niet verstaat, En goed het niet-verstaan van eigen geest.

Maar ik, die dit boek schiep, ben niet geweest Schepper van 't niet-verstane, in and'ren kwaad, Maar van het wèl-verstane — en, naar hun raad, Goede in mij zelf en ü, u allermeest.

En ik begeer der menschen oordeel niet Op 't slechtgeteekend prentje, dat zij met Mijn naam eronder hangen in hun ziel

En aanzien voor mijn welgeslaagd portret : Dat hebt gij enkel die mijzelven ziet

En weet wanneer 'k u wel, wen niet, beviel.

Sluiten