Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XLII

Als een bedrieglijk gast in blinkend kleed Meê aanzit aan een uitgelezen maal Met enkel vorsten, en door toon van taal

En valsch gelaat zich zoo te toonen weet,

Dat elk hem eert en noodigt dat hij eet Van 't fijnste en met dat princelijk onthaal Zijn veinzend lichaam voedt en niet éen schaal

Met kostelijke lekkernij vergeet: —

Zoo zat mijn ijdelheid, een trouwloos gast,

Bij 't vorstlijk feest van onze vreugden aan, Schoonschijnend naast de passie mijner ziel;

En van het beste nam ze, eilaas, als was 't Haar deel zich met üw spijzen te verza&n, Uw deel het kruimken dat van tafel viel.

Sluiten