Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XLIV

Of als een man, die eenen schat bewaart,

Een grooten goudhoop, dien hij achter 't huis Verstopte in de aarde en hoopen grint en gruis Wierp hij daar neer en de asch van zijnen haard; —

Hij gaat als een arm man, droef, ruig van baard, Daag'lijks de stad door, maar nauw 's avonds thuis, Graaft hij en telt zijn goud zonder gedruisch, En weet zich meer dan zeven rijkaards waard:

Zoo leef 'k met hen, die rijk aan liefde zijn,

En lijk een beed'laar voor hun rijke deur;

Een schooier schijn ik in een schamel kleed; —

Maar als ik dan mijn huis, üw huis betreed, Pronkt schat van liefde om mij in keur en kleur, Zoodat 'k der Liefde rijkste burger schijn.

Sluiten