Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En wijl zij sprak bewoog Demeter niet —

En nu zij zweeg schoof zij met zachte hand Het schreiend meisje weg van haren schoot —

En zij verborg het hoofd in hare handen En zat onder de sterren in den nacht.

En al die kalme sterren rezen hoog,

En daalden — langzaam bleekende in de lucht, En altijd zat zij, roerloos als een steen,

Tusschen de nimfen, waar niet één van sprak, En heel dien nacht, doodstil in 't donkre woud, Scheen 't daar de werkplaats van een kunstvol man, Een marmerwerker, die zijn groote groep Voleind had in die ruimte tusschen 't loof.

Maar toen de bleeke morgen lichtte op 't woud Trad Aphrodité achter de Godin,

En raakte met den teêren vinger zacht Haar schouders aan: — toen trilde ze en begreep: En haar gelaat hield ze in het vale licht,

Waar Aphrodité in stond. — Maar 0, welk leed Lag op de trekken van die hooge godheid: Zóo vaagt een herfststorm vóór de morgen daagt,

Sluiten