Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den ganschen rijpen zomer van 't gelaat Der aarde, en koud, ontluisterd ligt zij neer, Met natte bosschen in den najaarswind, Droefruischend klagende in dien grooten rouw : Zóo droefontluisterd hief Demeter 't hoofd — En al haar woorden kwamen als 't geklaag Van regenvlagen, waar de wind door jaagt: — Dwarsbuien stooten door den vlakken storm: »Zeg, Aphrodité! waarom zoude ik gaan, Op uit het donker van dien laatsten droom ? Zal ik gaan zoeken, waar de Kora wijlt? Bij menschen? Menschen rooven geen Godin. Bij Goden? Ben ik zelf geen God? Is zij, Persephone, geen Godheid? Rooft een God Godinnen? Aphrodité, is dit een droom?

Of is de jonge God, dien 'k eenmaal zag Sluimeren in den Chaos — in zijn slaap Gekoningd met de schaduw van een kroon, — Thans ópgewaakt, schoon 't heir der uren nog Nevelt van verre, en 't laatste daar moest zijn, Eer hij zijn kroon zou heffen in het licht En Zeus zou zetten uit zijn heerlijk rijk ?

Sluiten