Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar o zoo droef een dag van leed op zonk: — Want nóg trilde in mijn ooren dóór, 't gepraat Der menschen, en in mijn gezichten blonk

De lichte erinring van der menschen daad.

En in üw woorden waande ik telken keer

Hun woord te hooren en elk nieuw gezicht Zag 'k vol gestalten staan, als die 'k weleer Bewegen zag en lachen in het licht t Eens aardschen dags; — wee mij! de bitterheid Des levens proefde ik bitter in mijn mond.

En üw gedachten, die gij tot mij zondt Als troosters, haatte ik en heb zeer beschreid Dit lichaam, dat zóo droef op aarde stond.

Want 't was me als had een vreemd man in mijn ziel

U-zelf gedood en stuurde, uit gruw'bren spot,

Z ij n boden mij, opdat ik nederviel,

In ijd'le aanbidding, voor een vreemden God.

Toen maakte ik den nacht bleek met mijnen hoon, } o En riep uzelf tegen uzelven aan: —

En 'k zag, lijkkleurig, mijn gedachten staan, Met wijd-ope' oogen, als ontwaakte doón. —

Sluiten