Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

'k Sterf als 'k niet toorn; want zwaar is 't toomloos leven Met willoos volk en volk met dwaze willen :

Deez', die 't goud van hun wil aan dwaasheid spillen, Die, die hun armoê met schijngoud bekleven.

Uit m ij n borst wou 'k m ij n gouden Wil uitgeven, En ruilen voor mijn goud elks koop'ren grillen; Met mijn Wil élks ziels leêg begeeren stillen,

Tot 'k drommen volks heerlijk hadde aangedreven.

Want ééns moet zijn éen wil, een éens-weegs loopen, Eén menschvolk dringende in éen prachtig weten: 'k Begeer zóo zeer naar 't vorstlijk-willend draven!

Ddn deed wat plebs heet de ijzren rangen open.

Mijn stad van goud blonk, en 'k zou welkom heeten Elk nieuwe in 't rijk waar nooit éen wordt begraven.

Sluiten