Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meph. Neen, Faustus, hier-heen kwam ik uit mijzelf. faust. En kwaamt gij niet door mijn bezwering, zeg? meph. Ja, die was de oorzaak, maar per accidens;

Want hooren wij een mensch, die Gods naam

smaadt,

De Schriften afzweert en zijn Heiland hoont, Dan vliegen we om zijn glorievolle ziel;

Maar komen nooit of hij moet zóo iets doen, Wat doende een mensch kans heeft verdoemd te Zoodat men nooit vlugger bezwering doet, [zijn. Dan als men stoutweg de Drieëenheid liegt, En in-vroom bidt tot Koning Belzebub.

faust. Dat deed ik en zoo hou 'k voor zeker waar, Dat er geen koning is dan Belzebub,

Wien Faustus ziel en lijf heeft toegewijd. Dat woord «verdoemenis" ontstelt hem niet, Want hel verstaat hij als Elysium, —

Zijn geest woon' met der oude wijzen geest! Maar laat die kinderpraat van 's menschen ziel: Zeg mij, wie is die Lucifer, uw Heer ?

meph. Aartsvorst en heer van alle geesten is hij.

faust. Was niet die Lucifer eertijds een engel?

Sluiten