Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meph. Ja, Faustus, en heel lief had God hem toen. faust. Hoe dan dat hij nu heer van duiv'len is?

meph. O, door zijn groote' en onbeschaamden trots,

Waarvoor hem God wierp van 't gelaat des hemels. faust. En wat zijt gij, die leeft met Lucifer?

meph. Geesten, helaas! gevall'n met Lucifer;

Die stonde' op tegen God met Lucifer;

En nu voor goed verdoemd met Lucifer.

faust. Waar?

meph. In de hel.

faust. Hoe 's Mephistophilis dan uit de hel?

meph. Wel, dit is hel, en ik bèn niet eruit.

Denkt gij dat ik, die God-zelf heb gezien, En proefde de eeuw'ge blijdschap van omhoog, Niet, in dit lijf, tienduizend hellen lijd,

Nu ik beroofd ben van mijn eeuwig heil? O Faustus, vraag niet meer zoo roekeloos, Want o, 'k word zoo bevreesd als gij zóo vraagt. faust. Is groote Mephistophilis zoo teêr,

Nu hij niet meer zijn lieven hemel heeft?

Leer gij van Faustus mannelijke kracht, En hoon dat heil, dat nooit üw heil zal zijn.

Sluiten