Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reed hem in een diepen vijver buiten de stad. Ik was nauwelijks in het midden van den vijver of daar verdween mijn paard, en ik zat op een bos hooi: nooit zoo na aan 't verdrinken geweest. Maar ik zal mijn doctor opzoeken, en ik zal mijn veertig daalders weerom hebben, of ik zal het 'm een duur beestje maken! — O, daar heb ik al z'n praatgraag. Hé daar, jou loop-maar-toe, waar is je meester ?

meph. Wat blieft u? Je kunt hem nu niet spreken. paardenk. Maar ik wil hem nu spreken.

meph. Wel, hij ligt vast te slapen. Kom een andere keer. paardenk. Ik wil hem nu spreken of ik breek de ruiten

aan zijn ooren.

meph. Ik zeg je dat hij in geen acht nachten geslapen heeft. paardenk. En al had hij in geen acht weken geslapen,

ik zeg je dat ik hem spreken wil.

meph. Kijk zelf, daar leit-i, vast in slaap.

paardenk. Ja wel, daar is hij. God zegen je, Meester Doctor; Meester Doctor, Meester Doctor Fustiaan ! Veertig daalders, veertig daalders voor een bundel hooi!

Sluiten