Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelaat die kauwbewegiug, die hij, als eenige erfenis, scheen nagelaten te hebben aan Job, den oudsten van de smederij na hem. Hij kauwde met de breede kaken, omdat zijn hersens werken moesten en het zoo snel niet konden bij het driftig beweren van Nol; de groote spieren van zijn zwarte, roetdoorvreten kop arbeidden als om een gedachte los te woelen uit die trage hersenmassa, zooals het arbeidde in Job's hoofd, toen zijn haan rechtstandig kwam en hij in zijn ruw stagneerend, eeuwig geëquilibreerd binnenste een sensatie van trots zich voelde los wikkelen.

„Je praat, met je coöperatie. En die daarboven krijg je toch nooit weg. We kunnen hem niet missen. Wie had den haan en de bloemen er onder moeten teekenen, als hij er niet was geweest?"

„Daar kan je een teekenaar voor krijgen, een die ook mee deelt. Een opvreter heb je er niet voor noodig".

Vader antwoordde niet. Zijn kop kauwde en langzaam nam hij zijn eene gezonde been op, liet het andere met een pijnlijke wringing van zijn bovenlijf volgen en schoof zoo de werkplaats uit.

De liaan stond nu alleen, bijna gereed om af-

Sluiten