Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

besteedde, dacht de man die zelden een vers onder de oogen had gehad en ze haatte, omdat dat van den lantaarnopsteker hem elk nieuwjaar een dubbeltje kostte. Zóó enerveerde hem dat optochtje in de smederij van vreemde wezentjes, die melancholisch hun koppen schenen te laten hangen als de falset-stem van meneer treurig een paar octaven naar beneden ging. Job had nog even, als moest hij dit nog doen, voor de zooveelste maal met den duim den scherpen kant van een bonk ijzer bevoeld, en zonder eigenlijk denken, opeens, wierp hij het ijzerblok tusschen den hoop, waar Nol zijn hamer had gesmeten.

Als een wraak op alles wat in deze werkplaats stilte was, ratelde en kraste het blok tusschen het oudroest en tergend gilden, na de klatering van schorre krassiugen, nog de onharmonische trillingen van een paar verbogen duigen na. Job, nijdig, ging na dat leven de werkplaats uit.

Het was het eerste antwoord, dat hij zijn halfbroer in de laatste tien jaar gegeven had.

Bijna dertig jaar geleden was vader getrouwd met een Framjaise, die, toen ze een zoontje kreeg,

Sluiten