Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was aan den winkel. Hij was het dus die de familieramp het naast aan zijn schenen voelde en zich het eerst ongerust maakte over de gevolgen. Hij zeide ernstig:

„Maak nou geen ruzie over kleinigheidjes, eigenlijk zijn we er allemaal de schuld van als hij weggaat. We zijn allemaal pestig voor hem geweest. Als Nol hem sloeg dan lachten wij er om."

Vader keerde zijn kauwenden kop naar het raam.

„Als er iemand de meeste schuld draagt, dan is het vader zelf, want die is begonnen, toen we nog jongens waren, ons tegen hem op te stoken in het geniep."

Her stond op om nog meer moreele kracht uit te oefenen in dit naar zijn meening kritiek oogenblik en stak expressief den vinger, wijzend op vader met zijn naar buiten gekeerd gelaat, uit.

„Weet je nog, vader, datje ons zelf eens gezeid hebt, dat beeldje, dat-i op zijn kamer had staan, met vuiligheid te smeren en dat je ons geholpen hebt met het losmaken van bladen uit zijn boeken, en dat we er dan andere voor in de plaats maakten."

Sluiten