Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Job, Nol en Hev hoorden de klachten van vader aan. Her bevestigde ze soms met hoofdschudden en soms zette hij achter de lamentatie van vader een nijdigen toon van woede tegen het noodlot.

„Daar leit nou dat hek al bijna een maand onderste boven ; en je mag er met je vingers afblijven, alleen omdat die vent 't vertikt om zijn potlood op het papier te zetten."

Dan kwam vader weer zitten; de bezoeker, die het verveelde altijd weer het zelfde te hooren, liet hem in den steek.

„Lien, nog een hallefie", riep hij en Lien bracht het hem.

Job moest er in den regel ook nog eentje hebben en schoof zwijgend zijn glas naar voren. Dan droomden ze weer verder; sullig, de een over de krant, de ander voor zich kijkend ; Job met licht gebogen hoofd, de oogen dood, nietsdoend.

Vader en Her vooral, hadden veel gedronken den laatsten tijd. „Wie weet hoe kort we het nog zullen doen", hadden ze tegen mekaar gezegd. Job bleef bij zijn gewoon rantsoen, kalm ook in het dorst-hebben. De anderen werden door hun angst tot dronkenschap gejaagd. Halt zwijmelend,

Sluiten