Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE HOOFDSTUK.

Job had den avond, toen ze geen krediet meer hadden in de kroeg, begrepen dat nn het werk niet langer kon stil liggen. Hij voelde dat het zaakje zoo verloi'en zou gaan; en een soort smart binnenst gevoeld, overtoog bij de gedachte, dat hij zijn smidswerk niet meer zou kunnen doen. Dat was het eeuige leven dat hij kende, zoo te ploeteren in metaal; en het zou hem zijn als een ziekte, dien kantigen weerstand van het zwarte ijzer niet meer om zich been te voelen. Hij was als een massieve schaduw tusschen de eeuwig rood verlichte schemering van de smederij, en het beweeg van de groote stad daarbuiten, beroerde soms, en dan nog slechts even, zijn gemoedsleven. Hij bemoeide zich zoo weinig met hetgeen buiten was.

Zijn bestaan had zich eens en voor al neerge-

Sluiten