Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dertig, veertig, waaronder misschien maar tien werkelijk strijdenden. Ze berstten vooruit als knelden de trechtervormige sloppen hen voort door den lauwen avond, vol van kalme huisvrouwen, die bedenkelijk schuddebolden over den toch zoo langen duur van de staking.

„Dat zijn de belhamels", zei er een, toen de bende voorbij haar huisdeur was. „En voor die durven de oude kerels niet."

„Ze zijn jong", vergoedelijkte een andere. „En ze krijgen er toch ook wat mee gedaan."

„Hoor, wat een lawaai."

De bende overweldigde in het voorbijgaan twee, drie anarchisten met blaadjes over de staking. Hun papieren werden afgenomen en hun hoeden over de oogen gedeukt. Meer deden de jolige jagers niet in hun haast, want ze moesten „weg met de onderkruipers" schreeuwen, en hijgend voortdraven naar de „Drie Schepen."

Daar zaten Job en de broers, vader, Antoine en Hasvelt met andere bezoekers nog achter hun bier. Ze hadden weer over de staking en de op te richten coöperatie gepraat. En langzaam naderde Hasvelt zijn onverholen doel.

Sluiten