Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We zijn te gedetailleerd om nog langer mee te zeilen."

Antoine vond het groote dwaasheid zijn eigen levensopvatting zoo maar prijs te geven. Je zoudt je dan toch tegen zulke kerels als Job kunnen verzetten. Dat was ten minste ridderlijk. Hij sprak echter niet verder, want de oude Vanckert lag zoo stil op zijn wit kussen, de oogen gesloten alsof hij sliep, 't Scheen dan toch wel ernstig met hem te zijn. Veranderd was de oude man wel niet; zijn bleek wit vel was gesierd met rimpels en plooien, decoratief van een in schoonheidsdienst geleden leven, 't Was bleek, bloedeloos, als ware de afstand tusschen geest en stof hier verkleind. En de oogen. gesloten, schenen bronnen van een schoonheidstrachten, sterk genoeg om een eeuwig leven te vullen.

Antoine vond den ouden man, zooals hij daar nu lag als een gestorvene, aanbiddelijk schoon. In hem was het leven toch wel zoo verfijnd neergekomen, dat het licht en precair scheen als een dichtbeaderd blad met den fijnen rooden glans, dien de herfst er op maakt. En zijn fijnbezonnen cynisme, waarmee hij over alles sprak, moest toch

Sluiten