Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar laten we terugkeeren tot dat, wat in het boek is, onder het omslag.

De schrijvers verstaan niet steeds de kunst kort te zijn ; zij behooren in de eerste plaats hun eigen tijd té sparen en vervolgens dien van den lezer ; dikwijls meenen ze verplicht te zijn te zeggen,dat ze over dit of dat niet zullen spreken: houdt er heelemaal uw mond over, dat is voldoende.

Als ge een medisch boek schrijft, vertel dan niet bij elk onderwerp hoe Hippocrates en Galenus er over dachten : zij zijn beide reeds lang dood en hunne meening is een beetje verouderd. Kies als devies : „Daden, geen woorden ; feiten, in plaats van meeningen."

Als ge een roman schrijft, schilder het leven zooals het is, zoek geene subtiele zielstoestanden te beschrijven, geene ziekelijke psychologie, geene onwaarschijnlijke toestanden ; geene intieme levensbizonderheden, noch uw heil te vinden in bizarre woorden : dat alles brengt den lezer in verbijstering.

Maar ik dwaal af : het geven van raad aan de schrijvers is een beetje heel erg verwaand van de zijde van een eenvoudig uitgever. Te meer, daar deze heeren zich toch reeds allesbehalve lief tegen den uitgever uitlaten.

Goethe zeide: „Voor die snuiters (dat zijn wij, horribile dictu !) moest een aparte hel bestaan, erger dan die der dieven en moordenaars !"

Alexander von Humboldt *) schreef aan zijn vriend

Agassiz : „Geen pardon tegenover de uitgevers:

zij vormen een minderwaardig soort lieden, waarvan ik er reeds een paar het leven zuur gemaakt heb."

Maar deze vijanden der boekhandelaren waren Duitschers, en de Fransche auteurs zijn beminnelijker.

Luister maar naar wat Mary Lafon -) vijftig jaar geleden schreef:

„Zekere speculanten verkoopen slijk, gedrenkt in den inkt, en houden een winkel van onzedelijke en idiote dingen, teneinde het gezond verstand en het^ eergevoel in Frankrijk te dooden en zich te verrijken." Hoe zou men er thans over denken ?

1) Brief aan Agassiz 1836.

2) MariJ Lafon, Histoire d'un livre. Paris, 1857, bl. 127.

Sluiten