Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mij kunnen toevoegen: „Je komt als een gebraden haan me in den mond gevlogen, goed zoo, ik zal je verorberen, niet zooals gewone luidjes dit doen, maar op mijne practische

manier. Begrijpt u?"

Het hart van Jan Karper zakte tot in zijn linkerschoen. Hij had dien met den inhoud kunnen ledigen in den regenbak, die dienst doet als reservoir van Naatje's Eendracht wansmakelijk monument. Hij was van toen af gebiologeerd.

En dat onheilspellend gezegde, een Pieter Hengelaar waardig, was geen vluchtig woord. Het diende als stofwisscher cn waschkom tevens voor diens gewetenloos bestaan; immers kort voor Jan Karpers finalen uittocht werd het hem herhaald, maar toen als een Mcne, Thekel, Upharsin — in vervulling.

Een afgezant.

Nu rijst bij ieder verstandig, nadenkend individu de natuurlijke bedenking, gevolgd door een vraag: als een dergelijke ontmoeting mij was wedervaren, ik had óf afgegezien van de zaak, óf tenminste eens behoorlijk nader geïnformeerd. Hoe kan iemand, van gezond begrip en van menschenkennis niet ontbloot, zich laten lijmen als een kind? Mijn antwoord luidt „ja en neen." Is men argwanend van natuur (en dit negatief gebrek kwam bij Jan Karper eerst tot volle ontwikkeling, toen hij bij de Rhodeso-Neerlandica werkzaam was gesteld) men doet wel niet anders, terwijl voorzichtigheid wordt aangemerkt als maatschappelijke deugd. Maar voortvarendheid, om tot eene positie te geraken, deed mij het eerste beschouwen als een lakenswaard

Sluiten