Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormden van snaakschen ernst en meegaande welwillendheid. De gedienstige kantoorjongen, mijn starenden blik opvangend, en daarin een vraag meenende te lezen, fluistert imperturbabel mij in: — „meneer Franssen, een neefievan den directeur!" — Nu nog mooier, meende Jan Karper, een familie-driemanschap. Maar de bestanddeelen in dezen driebond waren, bij latere kennismaking, al even heterogeen als in die van het eerste romeinsch triumviraat. Troonde Crassus, bij zijn landgenooten aangeschreven als een gouddorstig heer, ginds vóór aan de straat, — in het „neefie" stak een weerbarstige Pompejus, een dwarsdrijver, die het gezegde eenmaal zou verloochenen, dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. — En Caesar . . . waar zat die? — vraagt wellicht de lezer. Ik zou het niet kunnen zeggen, tenzij ik den naasten bloedverwant, Jan Hengelaar Senior, met de haren er bij wilde sleepen en hem tot „Kaiser", dat is feitelijk heirvoerder, kroon. Eén hoedanigheid, het geslepene van den grooten Romein, bezit Jantje in hooge mate, de gave van kansberekening en combinatie. Daarom mocht de heer Verkerker gerust de plaats in het driemanschap ruimen aan den broeder des schoonzoons, want Verkerker heeft in het kapittel geen stem hoegenaamd. De Rhodeso-Neerlandica drijft op een dobber geheel buiten hem om. Dat weten de driemannen, thans aan het roer, — want ook Pompejus is vervangen — opperbest.

Doch dwalen we niet af van een onderwerp, dat hoogst ingewikkeld, wel eens te machtig kan worden, en daardoor zou blijken een bovenwerp voor een gewoon sterveling te zijn. De heer Franssen dan zat aan een zwart geverfd meubel, dat aanspraak maakte op den naam „bureau", en door een liefhebber van het ambacht in een gelukkige improvisatie, — al trilde en beefde het stuk bij den geringsten druk, — in elkaar was getimmerd. Ik bemerkte, dat naar het gehalte der voor-

Sluiten