Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Karper aan den Hengel.

— Goeden morgen, meneer Karper, hoe vaart u? Neem plaats. (Met voorname achteloosheid): Misschien heb ik u wat laten wachten. Drommels ja, drukke zaken, overstelpende bezigheden, begrijpt u? (De staalkoude oogen zagen mij veel beteekenend aan.) Thans ben ik geheel te uwer beschikking. (Ik dacht het omgekeerde.) We zullen nu eens de „zaken" afdoen. U rookt zeker, niet waar?

Had ik goed verstaan ? Een gemoedelijkheid, die mij een oogenblik van de wijs bracht. Was dat de man, die bij een eerste ontmoeting mij een rilling aanjoeg, bij een tweede samenkomst mij behandelde alsof hij een dienstman voor had, iemand, die toch vooral moest begrijpen wat een ondergeschikte is, die aan lager wal is geraakt.

De frontverandering was verrassend inderdaad. Maar lang duren zou ze niet, om Jan Karper tot het besef te doen komen, wat deze naar den schijn heusche bejegening op dit gewichtig oogenblik had te beduiden.

Wij zullen thans eens afdoende „zaken" behandelen.

En nu ving een verhoor aan, dat een rechter-commissaris had doen watertanden. Een onderzoek werd op het getouw gezet, dat Jan Karper, naief genoeg, aanvankelijk wel wilde beschouwen als onverdeelde belangstelling in zijn — nadat de zaken hun beslag hadden gekregen en dat men hem bij herhaling deed gevoelen — vrij onbeduidend persoon.

Ik kan de verzoeking niet weerstaan om deze enquête hier weer te geven in haar geheel. Immers ij moest tot

Rhodeso-Neerlandica.

4

Sluiten