Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zwart-grijze Hengelaar duikt andermaal op.

Het was alsof de straatsteenen den kampvechter om een twijfelachtig bestaan, tegen het hoofd sprongen; het wilde hem voorkomen, dat hij een onverantwoordelijke daad had verricht. Een somber voorgevoel zeide hem, dat de geweldige levensstrijd, waaruit hij dacht met eere te zijn gekomen, thans eerst met onoverkomelijke hinderpalen in aantocht was.

Maar de teerling was geworpen. Aan terugkeer geen denken. Het einde zou de lasten dragen. Hij gevoelde zich als een, die in een doolhof verward, het rechte spoor al meer en meer bijster raakt, blindelings voortholt naar een afgrond waartoe hij zich onweerstaanbaar voelt aangetrokken door een geheimzinnige macht.

In den restaurant van het station ontwaart hij den „man van zaken" aan het buffet. Deze slaat haastig een glas cognac naar binnen, wisselt in het voorbijgaan met Jan Karper een paar woorden en spoedt zich vervolgens van de paarden-coupé naar een Eerste klasse stoom-coupé.

Zeer zeker, onze wegen loopen uiteen — hemelsbreed.

In den avond van dien gedenkwaardigen Decembermorgen zit Jan Karper, terwijl de regen buiten neerstroomt, zijn wedervaren te overpeinzen. Een oogenblik verademing in den gemakkelijken huisstoel, bij een knappend vuur, nu zijn zorgzame echtgenoote hem den warmen Chineeschen drank aanreikt. Daar gaat met drie rukken eensklaps de huisbel over.

Sluiten