Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te doen uitkomen, dat Jan Karper bij den aanvang zijner werkzaamheden nu — hoewel wat laat — geheel open oog en oor had voor den toestand. Hij was vast besloten zich in het onvermijdelijke te schikken. Het plan van den veldtocht, van den beginne af geopend tegen zijn geldelijk persoon, lag hem kristalhelder voor. Het lang gerekt voorspel was achter den rug. De eigenlijke komedie kwam aan de beurt. Wanneer hij daarin de hoofdrol van aarts-mopperaar vervult, is dit hem niet te wijten maar dragen de omstandigheden ervan de schuld. Bloemzoet te zijn, tegen wil en dank, ligt niet in zijne kracht, veel minder op zijn weg.

— Zoo, meneer Karper, eindelijk is u daar! — riep de directeur den binnenkomende half gemelijk toe, alsof deze hem in de nachtrust had gestoord — Voordat u aan het werk gaat (Jan Karper ziet naar een stoel) neen, ik kan thans kort zijn, voordat u met de werkzaamheden begint, heb ik u even een en ander op het hart te drukken.

Jan Karper luisterde met spanning en ingehouden adem, als wachtte hem een geheime openbaring. Wat zou hij thans vernemen in dit gewichtig uur?

— Ik heb u te zeggen, meneer — ging de directeur met nadruk voort — ik heb u als een bevel op te dragen, aan niemand op het kantoor iets te reppen omtrent het cijfer van uw tractement, dat —

— Exceptioneel hoog is — viel Jan Karper den spreker ontijdig in de rede.

— Zoo, vindt u dat ook?

— Als ik niet reeds wist, dat de helft hier het maximum is — zei Jan Karper onvervaard — dan begrijp ik het nu.

— Zoo, meneer. Dit is dus punt nummer één. Het tweede —

Sluiten