Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dubbele deur van het voorkabinet werd geopend met een ruk. De figuur van Hengelaar Junior stond in een ommezien in het berookt kantoor. Met gefronste wenkbrauwen, den rossigen knevel als een koraalrif vooruitstekend, terwijl de staalblauwe oogen met ijskoude uitdrukking de omgeving monsterden, kwam het met aanstellcrigen toorn van zijn lippen:

Meneer Verkerker!.. . wat is hier gaande? De heeren schijnen te denken (de heeren dachten niets) dat een degelijk kantoor een jeneverkroeg is waar men rookt, babbelt en zingt. De heeren blijken geen idee hoegenaamd te hebben van „zaken". Ieder meent hier zelfstandig te kunnen optreden, dat is een geheel verkeerd denkbeeld; als er gezag heet te bestaan, dan berust dit bij niemand als bij mij alleen. Waar is de jongen? Ik zie de(n) jongen niet! (Sloet was bij het binnenkomen van den gebieder verstoppertje gaan spelen op de pakkamer). Waar is de jongen? heeren! . . . Antwoordt hier niemand?

— Hij is even uit — zei de Jingo, blijde iets te kunnen zeRSen> om den storm, die dreigde over te slaan tot een orkaan, te doen bedaren. — Zoo ... zonder mijn voorkennis den jongen uitzenden! Wie veroorlooft zich dergelijke zelfstandigheid? Hoe komt de hooge lessenaar geheel verdraaid? De heeren weten dat bij winterdienst deze juist omgekeerd moet staan ...

— Meneer Karper zegt, dat hij anders geen licht heeft, en hij moet toch kunnen zien, zegt ie — bracht Verkerker, die zijn schoonzoon kent, zooals hij beweert van haver tot gort, sussend in het midden.

— Zoo ... dan moet meneer Karper maar denken dat de zon schijnt — grinnikte Hengelaar Junior, zich verkneuterend over een geestigen inval — maar de lessenaar moet weer op zijn plaats.

Sluiten