Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Als die gloeiend-rooie potkachel de zon kon verbeelden — waagde Jan Karper — dan zou 't wel gaan.

Geen aardigheden aan dit kantoor, meneer. We zijn hier om te werken .. . waaraan is u bezig'

— Ja... dat wilde ik u juist vragen, meneer de directeur — antwoordde Jan Karper op guitigen schooljongenstoon, en hij zag hoe de heer Franssen, bij dit gezegde van den employé-aandeelhouder, het hoofd en een daarin anders verborgen lid boven diens schrijftafel uitstak, terwijl Jingo hem aanzag met de bovenkaak van zijn gezicht over de onderkaak rustend, zooals een haai zou hebben gekeken, als deze zeetijger op dit oogenblik Jan Karper had kunnen aanzien.

De heer Hengelaar scheen zich eensklaps te herinneren, dat hij alléén mij in mijne bezigheden kon inleiden. Hij vestigde zijn blik op Jingo. — Wat behandelt u op het oogenblik, meneer Jingo? — was zijne vraag.

— De bibliotheek van Johannesburg voor de mail van 28 Januari.

— Zoo, laat meneer Karper de lijst eens zien van wat, buiten het School-Departement, in Zuid-Afrika al zoo gevraagd wordt, en komt u dan even bij me, meneer Jingo.

De orkaan was bezworen, de storm had zich gelegd.

So flösst man seinen Leuten den Respekt ein undwird man imponirt. Jan Karper had op geen enkel kantoor in dergelijke openbaring de macht van het „één zij koning, één zij heer" gevoeld, en dat moest hij toch vooral begrijpen. Als hij zich soms mocht inbeelden een greintje zelfstandigheid, in welke nietigheden dan ook, zich te kunnen aanmatigen, dan was hem dat heden voor goed verleerd. Maar ik houd het er op het oogenblik nog voor, dat de heer Hengelaar Junior, op dien gedenkwaardigen morgen van den i8en Januari 1897, bepaald verkeerde onder den

Sluiten