Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Met vijf gulden kom ik vandaag al heel ver — meent de jongen.

— Met vijf flinke karwatsslagen op je —

— K .. .! roept Jingo — is ie er nog niet. En hij moet nog naar den blikslager en naar den schipper — gaat de referendaris voort — en naar Praag en Heelsma, om de van Lennepies postformaat.

— Dat kan ik op mijn beenen niet allemaal af — zegt de loopjongen wanhopend — dan ben ik voor de groote post niet bijtijds terug ... ik moet wel trammen, anders kom ik er niet, meneer Verkerker.

— De Maatschappij tramt niet — zegt deze —en jij hebt jonge beenen —

— Ja, maar niet zulke lange staken als meneer Jingo, die toch niet lang genoeg zijn, om op een maildag alles te voet af te doen. De directeur neemt wel een coupeetje voor de spoor, al heit ie de tram voor zijn deur!

— Zeg, ben jij nou heelemaal bed of scheelt

het in je hersens, uilskuiken! Mot ik je van het kantoor bliksemen, ezelskinnebakken? buldert Jingo, de man, die kort te voren zich heeft beklaagd over het luttel salaris, dat hij geniet en eensklaps ontbrandt in heiligen toorn, waarbij hij het woord spreekt van den meester wiens brood men eet.

Maar ik moet mij herinneren, dat de referendaris, bij de wraking van het hem toegedacht traktement, niet te velde trok tegen zijn beschermer en begunstiger quand même, maar tegen iemand wien hij het licht niet gunde in de oogen vanaf den eersten dag, totdat hij hem, met oogluiking van den patroon, tot heengaan dwong.

— Waar is de baas op maildag? Ik heb nog niets van hem gemerkt — zegt Franssen.

— In zijn kabinet is de directeur niet — merkt de schoonvader aan.

Sluiten