Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Franssen wicn dit niet ontgaat en die door cenige proppies, nu als bazaanschoten dienst doende, is „angeheitert", tracht met een kwinkslag als „de Neerlandica duikt als een eend, slecht weertje, carga," dezen langs zij te komen. Het lukt niet en op zijn insinueerend „wou je ook geen spaantje?" terwijl hij hem het kruikje voorhoudt, luidt het korte: — Meneer u wordt niets gevraagd! Hierop zeilt de carga — voor wien het spaantje straks komt in het vijf cents haantje — statig de kapiteinshut binnen.

Twintig minuten gaan voorbij. De storm groeit staag in kracht, Glazenkamp verzoekt Karper zijn facturen na te rekenen en te tellen. Kapitein weer aan dek.

— Meneer Franssen, denk er om, als u schrijft: dat pennen No. 227 Kroontjes pennen zijn, niet te verwarren met Leonard pennen!

— Ik doe niet anders dan pennen — zegt Franssen gedachteloos, want hij heeft zijn zesden bazaanschoot aan.

Kapitein ijlings naar zijn hut, om de kaart te raadplegen of er klippen zijn in de buurt. De koers schijnt veilig, want hij schrijft een tijdlang gestadig door. Het schip stampt intusschen zwaar. Bootsman Verkerker rent van middenschip naar den boeg. Van daar terugkomend, krijgt hij Jingo in het oog, die den ballast van drie zware kisten inmiddels overboord heeft gezet. — Komaan, Jingo, speel jij nou eens voor roerganger. Let op je kompas, je hebt zuidoost voor, een paar streken meer ten oosten. Vooruit! de brieven moeten gepost! ... Ping! ping! signaal van den kapitein!

— J°gg'e' jöggie! — roept Hengelaar Junior — aanpakken, kopieeren, drie zijden Plantanus! Vooruit!

— Loop als een haas! 't Is kwart over zessen! Haal je 't niet, dan naar de spoor! — zegt Jingo.

— Jawel, met de tram — insinueert de jongen —

Sluiten