Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met dien rommel bromt de beambte wrevelig — de knecht en de loopjongen van je kantoor komen ook eeuwig op het laatste oogenblik; het heeft er veel van of —

— Zoudt u — begon de plaatsvervanger van knecht en kantoorjongen, teneinde den woordenvloed, die kwam opzetten te stuiten — zoo beleefd willen zijn deze pakketten van postzegels te voorzien? Ik ga inlusschen met de andere voor „aanteekening" hiernaast —

- Ja maar, dat is geen moet... waarom houdt die groote maatschappij er geen weegschaal op na en bezorgt ons noodeloos werk?... nu, voor dezen keer nog!

Het publiek dringt ongeduldig op.

Jan Karper staat aan het loket van des beambten buurman. Daar ontvangt hij het bescheid, dat de tijd voor aanteekenen is verstreken. Vermits er echter colli zijn bij de massa, waarop het aanteekeningsrecht zit geplakt, haalt de gedienstige functionaris de zegels er af. Het publiek daagt inmiddels talrijker op.

De remplafant-looper, aandeelhouder-employé, vervoegt zich andermaal aan het frankeer-loket, pakt te midden van de starende omstanders den pakkettenrommel bij elkaar, en begeeft zich met den last naar de lange tafel, waar hij aanteekening houdt van het lot, dat de diverse colli naar omstandigheden hebben ondergaan. Hij moet bij den heer Verkerker een nauwkeurigen staat indienen van een ander. Na deze verrichting snoert hij alles met het touw in een bundel samen en snelt er mee naar een andere straat, waar het verzendings-bureau der boekpost zich bevindt. Daar aangeland, voegt een beambte hem de troostrijke woorden toe :

— Je komt met het zoodje te laat, man! De zakken zijn al dicht!

Jan Karper deponeert zijn vracht aan het bureau tot de volgende mail.

Sluiten