Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

benaming van Jos Bèl. De goedmoedige oude (want als zoodanig, wanneer geen aanvechting van geurmakerij of grootdoen hem bekruipt, doet hij zich veelal voor) vindt dit wel aardig van den dertig en zooveel-jarigen schoonzoon ; hij is, zelfs ten aanhoore van dat minder kantoorpersoneel, er mee in zijn schik. Herinnert hij zich evenwel, in onhebbelijke oogenblikken van Peter Hengelaar Junior, als deze, uit de hoogte van zijn aangenomen standpunt, hem officieel den conventioneelen titel als het ware toeslingert, schiet het hem dan plotseling, als door een lichtstraal, te binnen, dat hij den gebieder door aanhuwelijking bestaat, dan zet hij, als een getergd renpaard, de verzenen tegen het prikkelend „meneer".

— Zou je meenen, meneer — kom met je „meneer" ik doe het nu niet, hoor! ééns geteld blijft gesomd ! — Meneer Verkerker, ik uw directeur, — insinueert Hengelaar — verzoek het u. — Neen — houdt de schoonvader vol — het gebeurt niet! — Kom dan mee — gebiedt de schoonzoon — naar mijn bureau !

En met de slotscene in het heiligdom wordt de komedie afgespeeld.

De boekbeoordeelingen van Jan Karper hadden in de practijk evenveel om het lijf als de briefjes aan Sinterklaas, door het vijfjarig dochtertje van den directeur Hengelaar aan dezen kindervriend, ten kantore dagelijks met een potlood-stompje gekrast. Ze hadden eenvoudig geen doel. Uit dien hoofde werd alsnu het aangenaam werk voor hem bedacht, waarvan de Senior Hengelaar, in de American Bar, te Amsterdam, had gewaagd.

Ping! Ping! — Meneer Karper, binnenkomen bij den Directeur.

— Meneer, u moet eens beginnen met persklaar te

Sluiten