Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met den kring waarin hij zich beweegt. Zijn spreken en zwijgen, zijn gaan en staan, zijn doen en laten, zijn zitten en loopen, zijn ziek- of gezond zijn, het geloof dat hij belijdt of verzaakt, de kleederen die hij draagt, het is alles stof, in onnoemelijken overvloed, voor de bedilzucht en hatelijkheid van den Jingo, in wiens oogen nu eenmaal een dergelijk individu geen genade vinden kan.

De onhebbelijkheid van des Jingo's manieren werkte aanstekelijk op het hem omringend personeel. De oude heer Verkerker, die gaarne nog wel eens „kinderlijk" wilde zijn; die, als verpoozing in zijn gewichtigen arbeid, met den loopjongen een loopje neemt, en met dezen kan stoeien, dat het een aard heeft; de gemoedelijke schoonpapa grinnikte meestal van genoegen, als de Jingo den opvolger van Glazenkamp, in den persoon van Jan Karper, „er tusschen nam", zooals dezelfde volksmond zegt. Want de GrootMokummer was nu de man, dien hij eerlang, bij den terugkeer van zijn meester, „een beetje zou likken", geheel in den door dezen aangegeven koers. Bij dergelijke gelegenheden had hij de lachers aan zijne zijde en nam hij oogenblikken te baat, dat huisbewaarders en verder dienstboden-personeel getuigen konden zijn van de onbeperkte macht waarover hij ten bureele der Rhodeso-Neerlandica had te beschikken.

Kon de heer Verkerker vrede hebben met des Jingo's handelingen, in zoover deze de grens niet te nabij kwamen waardoor op zijn (Verkerker's) persoonlijk gezag inbreuk werd gemaakt, een casus belli maakte de waarnemende wassen-neus-directeur ervan, zoodra slechts een schijn van afbreuk of tekortdoening in dit opzicht zich voordeed. Aan den kazernetoon paarde de Jingo, wegens zijn aan het militairisme vooraf gegane opleiding als kweekeling-onderwijzer, vaak de pedanterie van den pedagoog. Als hij den

Sluiten