Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

directeur, toen hij wegging, nog gezegd, 's avonds vóór zijn vertrek.

— Mijneheeren! — zegt Verkerker plechtstatig — laten we eerst en vooral zorgen voor de verspreiding „onder de confrerie der Koekhandelaren, de ons minder goedgezinden allereerst, der vijftig exemplaren van ... van „De Trommelslager" ... hoe heet ze ook, de krant?

— „Trompetter-veldcornet" — vult de Jingo aan.

— Goed zoo. Kom, heeren, alle hens aan 't kruisbanden, — beveelt de adjunct-waarnemend directeur — en dan tracteer ik op een extra Hulstkamp Molijn & Co.!

Het slotwoord bezat tooverkracht. Franssen begint de hornpipe te dansen en merkt tevens aan, dat de Kleine kas het zeker kan lijden, daar die roiaalheid hem op het lijf valt, alsof hij de hondderdduizend heeft getrokken uit de loterij.

Dat er dien dag „een taaie" — „een proppie" — „een spaantje" benevens „een boom" werden opgezet, ter waardige voorloopige viering van de heuchelijke gebeurtenis, laat zich begrijpen; dat dit bedrijf, onder aanvoering en leiding van den Jingo, na afloop van den kantoortijd, in een der vijfcents gelegenheden werd voortgezet, laat zich denken. De Heeren waren nu eenmaal op dreef. Het verdient opmerking, en het verdient hier zijn plaats, als onder de rubriek van Aanteekeningen op dit gebied, dat Jan Karper, welke pogingen hij ook aanwendde tot kameraadschappelijk verkeer, hierin ten kantore nimmer slagen mocht, dan voor het enkel oogenblik waarop hij werd gedwongen aan den drankduivel te offeren, tegen wil en dank. Het was een schatting, aan den Moloch-Jingo verschuldigd, op grond van Karpers enorm (!) tractement; het was een dwang, gebaseerd op het bewustzijn van den onderofficier, dat eerlang aan den aandeelhouder-employé administratieve werkzaam-

Sluiten