Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorn verwijderde zich even snel als hij was gekomen, met de mededeeling, dat hij de eer zou hebben des anderen daags zijne werkzaamheden aan te vangen, zich daarbij in de welwillendheid aanbevelende der heeren collega's!

Que diable, un docteur en droit, de sang noble, vient-il faire dans cette galère?

De heer Verkerker zou het raadsel oplossen, dat Jan Karper intrigeerde. Ronduit gezegd, de uiterlijke verschijning van den heer Brandhout van Eschdoorn, deed bij oppervlakkige waarneming, niet vermoeden, dat hij ooit met de akademische alma mater noch met de leden van den Nederlandschen adel op gemeenzamen voet had verkeerd. Zijn welgevuld, zwart-kroesig kinsieraad, dat 's mans gelaat geheel omlijstte; zijn massieve veerkrachtige tred, waarbij een paar stevige waterlaarzen een goed figuur zouden maken en de vorm eener O zich duidelijker hadde afgeteekend, wezen eerder op den stoeren zeeman — een eerste kracht bij het „alle hens aan dek" — dan dat zij den jonker verrieden van een Gravenoordsch salon. Zijne spraak evenwel en ongedwongen houding wettigden het gezegde bon sang ne pent mentir.

— Mijneheeren — begon de heer Verkerker, met zekeren nadruk op sommige woorden, die zich beter laat nabootsen in klanken dan beschrijven — Jonkheer Meester Brandhout van Eschdoorn zou waarlijk hier niet zijn gekomen, als de nood er hem niet toe dwong —

— Almachtig, wat een kostelijke waarheid verkondigt daar uw gulden mond! — kon Jan Karper zich niet weerhouden uitteroepen — maar hij heeft daarin een confrater,

zou ik meenen.

U zult toch u zelf daarmee niet bedoelen? —

vroeg Verkerker droogjes, maar met niet minder boos opzet.

Sluiten